Een rookmelder hang je op elke verdieping waar een woonkamer, slaapkamer of keuken aanwezig is. Dat is de wettelijke minimumeis in Nederland volgens de Rijksoverheid. Maar de exacte plek binnen een ruimte maakt net zoveel verschil als het aantal melders. Een rookmelder op de verkeerde plek kan te laat of helemaal niet afgaan.
Waar rookmelder plaatsen: de basisregel
Rook stijgt op en verzamelt zich als eerste aan het plafond. Hang een rookmelder daarom altijd aan het plafond, midden in de ruimte. Is dat niet mogelijk, dan mag hij ook aan de muur, maar dan maximaal 30 centimeter onder het plafond. Hang hem nooit in een hoek van de kamer, want daar circuleert lucht slecht en bereikt rook de melder veel later.
Houd ook afstand van ventilatieopeningen, ramen en deuren. Een luchtstroom kan rookdeeltjes wegblazen vóórdat ze de melder bereiken, waardoor de melder te laat of niet reageert. Houd minimaal 30 tot 50 centimeter afstand van ventilatieroosters.
Per ruimte: dit zijn de beste plekken
- Slaapkamer: hang de melder boven het midden van de kamer, niet direct boven het bed. Je slaapt met gesloten deur? Dan is een melder op de overloop of gang net zo belangrijk, want rook dringt pas laat door een dichte deur.
- Woonkamer: midden aan het plafond. Bij een open keuken die grenst aan de woonkamer: plaats de melder aan de woonkamerkant, niet direct boven de kookplek.
- Overloop en gang: dit zijn de vluchtroutes. Een rookmelder hier is niet wettelijk verplicht maar sterk aan te raden, want brand elders in huis verspreidt rook vaak eerst via de gang.
- Keuken: gebruik hier bij voorkeur een hittemelder in plaats van een rookmelder. Een gewone rookmelder in de keuken geeft bij het koken constant vals alarm, waardoor mensen de melder uitzetten of de batterij eruit halen.
- Zolder of kelder: niet wettelijk verplicht als er geen woon- of slaapruimte is, maar bij een kelder met cv-ketel of wasdroger is een melder wel verstandig.
Afstanden die je moet aanhouden
Voor een optimale werking zijn er vuistregels voor de maximale afstand die een rookmelder effectief kan bewaken. Eén melder dekt in principe een ruimte van ongeveer 60 vierkante meter. Bij een grotere ruimte of een onregelmatige plattegrond heb je meerdere melders nodig. Controleer ook de specificaties van jouw specifieke melder: de fabrikant geeft hiervoor altijd een maximale dekkingsoppervlakte op.
In een lange gang of hal van meer dan 10 meter is één melder aan het einde onvoldoende. Hang er dan twee: één aan elk uiteinde.
Plekken waar je een rookmelder beter niet hangt
Er zijn plekken die mensen logisch lijken maar die juist voor problemen zorgen:
- Direct boven het fornuis of de oven: dit geeft bijna altijd vals alarm bij normaal koken.
- In de badkamer of vlak bij de douche: stoom wordt herkend als rook en veroorzaakt vals alarm.
- In een onverwarmde ruimte onder het vriespunt: lage temperaturen kunnen de elektronica van de melder beschadigen.
- In een schuine dakruimte helemaal bovenaan: de warmste lucht verzamelt zich hier, maar rookdeeltjes bereiken dit punt pas laat. Hang de melder in de schuine dakruimte op een hoogte van 0,5 tot 1 meter van het hoogste punt.
Hoeveel melders heb je nodig?
Volgens de Rijksoverheid heb je minimaal één rookmelder per verdieping met een woonkamer, slaapkamer of keuken. Een gemiddeld huis met begane grond, eerste verdieping en zolderverdieping heeft dus minimaal drie melders nodig. Heb je meerdere slaapkamers op dezelfde verdieping? Dan is één melder op de overloop van die verdieping het absolute minimum, maar een melder per slaapkamer is veiliger.
Zeker als je kinderen of oudere bewoners in huis hebt, is het verstandig om te kiezen voor gekoppelde melders. Als één melder afgaat, gaan ze allemaal tegelijk. Zo hoort iedereen in huis het alarm, ook als de brand ver van de slaapkamer begint.
De juiste plek is dus een combinatie van de goede hoogte (plafond of net daaronder), het midden van de ruimte, en genoeg afstand van luchtstroom en vochtige plekken. Check bij aankoop ook altijd of de melder het Europese keurmerk EN 14604 heeft. Dat garandeert een minimale betrouwbaarheid die in Nederland als standaard wordt gehanteerd.



